facebook  linkedin  twitter


"Wat een inspirerende dag! Ik voel me gesterkt, en ervaar meer rust en lichtheid rondom mijn kinderwens"

(workshop Stilstaan bij je kinderwens)

Hechting en het belang van het kind

Kids en co cover

Het belang van het kind bezien vanuit de hechtingstheorie. Dat is een interessante! Want bij het belang van het kind, in relatie tot single wensmoeders, dacht ik vooral aan het donoraspect, en het opgroeien zonder vader in het gezin.  

Psycholoog Joriene de Vos schreef een boek over co-ouderschap in een niet traditioneel gezin. Een single vrouw of lesbisch stel die de bewuste keuze maakt om samen met een single man of homostel een kind te krijgen en op te voeden.

Een recensie en wat gedachten.

Belang van het kind

Voor mij gaat het waarborgen van het belang van het kind allereerst over het kunnen kennen van de donor (op enig moment), over openheid en vertrouwen rondom de keuze voor een donor. En natuurlijk ook over de (wens) moeder als persoon, met haar kwaliteiten, valkuilen en draagkracht. Over een steunend netwerk, en een enigszins stabiele woon-werk- en inkomenssituatie.

Al deze aspecten, waar ik al heel veel langer over nadenk en mee bezig ben, gaan over het creëren van een liefdevol, stabiel en veilig opvoedingsklimaat. En dat is weer waar hechting uiteindelijk over gaat. In die zin misschien toch ook weer zo heel veel nieuws.

Hechtingstheorie

In een rommelig hoofdstuk waar vaak hetzelfde gezegd wordt, zet De Vos de hechtingstheorie uiteen. Hechting is een basisbehoefte van kinderen. Een kind moet zich veilig en beschermd voelen, en vertrouwen ervaren, om zich op een gezonde manier sociaal, emotioneel en psychisch te kunnen ontwikkelen. Voor die basisveiligheid heeft hij de duurzame verbinding met zijn ouder(s) nodig, en daarvoor is fysieke aanwezigheid en emotionele beschikbaarheid van zijn ouder(s) belangrijk.

Zich gezien en gehoord voelen, en begrepen worden, door een (of meer) ouder(s) die hem de boodschappen geven:

  • Jij mag bestaan
  • Op jouw eigen manier
  • Ik ben er onvoorwaardelijk voor jou.

De eerste drie levensjaren zijn cruciaal voor een kind om een veilige hechtingsrelatie met zijn ouder(s) te ontwikkelen.

 

Maar wat betekent dat als ouder(s) in spe van een niet-traditioneel gezin, en in het bijzonder een co-ouderschapsituatie?

Helaas, op deze vraag is het antwoord maar heel summier.

 

Samenspel van risico- en beschermingsfactoren

‘Een samenspel van risico- en beschermingsfactoren heeft invloed op het hechtingsproces. Omdat dit boek over co-ouderschap gaat, zoom ik in op een van die risicofactoren: regelmatige scheiding van de voornaamster verzorger.’ (p. 35)

Daarbij is de boodschap van De Vos: in een co-ouderschap moet een kind de eerste drie levensjaren bij zijn moeder zijn, om het belang van het kind – een veilige hechting – te kunnen waarborgen. De co-ouder(s) kan/kunnen vertrouwde verzorgers worden, die met grote regelmaat of zelfs dagelijks een rol spelen, maar dit alles op één woonplek.

Op een vergelijkbare manier zou dit ook gelden voor opa’s en oma’s (of andere intensief bij het kind betrokken volwassenen): meedoen bij moeder thuis is prima, maar bijvoorbeeld logeren bij opa en oma zou zeker de eerste drie jaar uit den boze zijn.

Dit soort absolute waarheden roepen vragen bij mij op. Allereerst: hoe realistisch is dit? Zelfs in de context van een traditioneel gezin, waar – zoals tegenwoordig toch gebruikelijk is – veelal beide ouders (parttime) werken, en er ook dankbaar gebruik wordt gemaakt van kinderopvang en opa en oma die zo nu en dan bijspringen?

En hoe moet dit voor single moeders, al dan niet in een co-ouderschap: moeten / willen zij ook niet werken?

En in het geval van een co-ouderschap: hoe kun je in de latere jaren tot een gelijkwaardige verdeling komen, als de moeder in de eerste drie jaar zo’n bevoorrechte positie heeft?

Is het niet veel zinvoller om te bekijken hoe je in een situatie die misschien niet helemaal ideaal is vanuit hechtingsoogpunt, de omstandigheden voor een veilige hechting kunt optimaliseren. Want het ging toch om ‘een samenspel van risico- en beschermingsfactoren’?

Wat zijn dan die andere factoren? Als de regelmatige scheiding van de voornaamste verzorger (moeder) een risico vormt, kun je dan andere mogelijke risico’s minimaliseren en beschermende factoren versterken?

Vanuit eigen ervaring, als moeder van een dochter uit China, ken ik adoptie, één van de allergrootste hechtingstrauma’s die een kind kan ervaren. Maar kinderen bezitten ook een enorme veerkracht. Zelfs vanuit zo’n adoptietrauma kunnen kinderen, heel bewust daarin ondersteund door hun adoptieouder(s) , weer een hechtingsrelatie opbouwen.

Dan moeten we in een andere-dan-traditionele gezinssituatie, met allemaal welwillende betrokkenen, toch ook een voldoende veilig klimaat kunnen creëren voor een kind om zich op een gezonde manier te ontwikkelen?!

Co-ouderschap

De Vos maakt in haar boek expliciet geen onderscheid tussen co-ouderschap na scheiding en bewust co-ouderschap (waar het vanaf het begin zo geweest en bedoeld is), ‘omdat bij beide vormen een kind meestal ‘gesplitst’ wordt tussen twee ouders en twee woonplekken.’  (p. 39)

Voor mij is dit onderscheid juist cruciaal. En vergelijkbaar met het onderscheid dat ook gemaakt moet worden tussen een eenoudergezin dat ontstaan is na echtscheiding of een solomoedergezin, waar een bewuste keuze aan ten grondslag ligt.

De vorm is gelijk, maar de inhoud niet! Het maakt nogal wat uit of het co-ouderschap gebaseerd is op scheiding of op verbinding. Op ruzie, wrok en elkaar niets gunnen of vanuit een gezamenlijk verlangen. Kinderen pikken de sfeer en gevoelens van betrokken volwassenen naar elkaar, haarfijn op. En reken maar dat dat z’n invloed heeft op hun ontwikkeling en welbevinden!

Op zoek naar een co-ouder

Het grootste deel van het boek gaat over het zoeken naar een co-ouder. Het bevat op zich zinvolle aspecten en aandachtspunten, maar is in structuur en stijl weinig overzichtelijk.

Wat ik vooral mis, is het emotionele aspect. De Vos noemt de zoektocht naar een wensouder voor een co-ouderschap ook doelgericht, en daarmee rationeler (dan kennismaken in geval van verliefdheid).

Uit mijn jarenlange ervaring in het werken met singles met een kinderwens, weet ik hoe moeilijk het kan zijn om je gedroomde gezinsbeeld aan te passen. Hoe heftig de twijfels zijn om op een alternatieve manier een kind te krijgen. Wellicht is dat bij lesbische en homoseksuele wensouders net iets anders, omdat zij al langer leven met het beeld dat hun gezin anders gevormd zal worden dan het traditionele huisje-boompje-beestje. Maar emotioneel zal het voor hen ook zeker zijn.

In de woorden van De Vos klinkt bewust co-ouderschap soms als een hele zakelijke onderneming:

‘vergeet vooral ook  niet bij jezelf na te gaan of je sympathie of zelfs vriendschap voelt voor de co-ouder van je keuze’ of ‘je gaat heel veel met diegene te maken krijgen de komende jaren’. En de opmerking dat er belangrijke momenten in het leven van ‘je kind’ (is het niet ‘jullie kind’ als we het hebben over co-ouderschap?) zullen zijn waar jullie allebei aanwezig willen zijn: hier klinkt bijna weerzin in door, alsof je dat niet zou willen… vergelijkbaar met de sfeer die een co-ouderschap na een vijandige echtscheiding kan hebben.

En als ze schrijft dat er naast  je eigen kring en speciale sites op internet (meerdangewenst.nl en gabyboom.nl, en dan vergeet ze nog danzza.com en onewish.com), ook buiten internet volop mogelijkheden zijn om op zoek te gaan naar een potentiële co-ouders (sportclubs, feestjes, bijeenkomsten, het café of de trein), dan wekt dat bij mij de indruk dat De Vos dit onderwerp vooral van achter haar bureau kent.

 

In z’n algemeenheid vind ik de teksten rommelig en weinig gestructureerd. Te vaak verwacht ik verdieping (of heb daar behoefte aan) maar vind ik meer van hetzelfde. En wat snak ik naar ervaringsverhalen: hóe hebben co-ouders invulling gegeven aan dit gedachtengoed? Hoe is het in de praktijk verlopen, die eerste drie jaar?

In het boek staan 14 quotes van (wens)ouders, waarvan vier van mijn collega Sara Coster. Sara beschrijft in haar boek, en vertelt in het interview in Mijn Geheim (waar de quotes uit komen) hoe moeilijk zij het vond om haar kind met de vaders te ‘delen’, maar dat uiteindelijk wel gedaan heeft. Ook in de eerste drie jaar. Hoe kijkt De Vos daar tegenaan? Zij schrijft bij een quote van Sara dat dit een praktijkvoorbeeld is waarin co-ouders hun kind een veilige hechtingsbasis gegeven hebben…

Kan het dan toch, een veilige hechtingsbasis geven zónder dat de moeder de eerste drie jaar de primaire ouder is?

 

En als ik achterin onder het kopje Verder lezen mijn boek zie staan, waarbij mijn naam fout is geschreven en de genoemde plaats van uitgave onjuist is, dan is dat een extra bevestiging van de weinige zorg die aan dit boek besteed is.

De bewustwording van het belang van het kind vanuit oogpunt van hechting is belangrijk. Maar omdat dit boek ver van de werkelijkheid af staat, en alleen op één risico-aspect inzoemt, draagt het daar niet wezenlijk aan bij. Een gemiste kans.

 

Joriene de Vos / Kids & Co. Van kinderwens naar co-ouderschap in een niet-traditioneel gezin / Uitgeverij Mens! / 2016

Tags: kinderwens, co-ouderschap, belang van het kind